
De schat van Lima
Cocoseiland ligt ruim vijfhonderd kilometer van de kust van Costa Rica, zo ver de Stille Oceaan in dat je op de kaart even denkt dat iemand een groen stipje heeft laten vallen. Het eiland is klein, nat, steil en beroemd om twee dingen die elkaar slecht verdragen: een van de rijkste mariene natuurgebieden ter wereld, en een schat die misschien nooit heeft bestaan.
Reservaatbewaker Enrico Salamanca heeft met allebei te maken. Met haaien, schildpadden, illegale vissers, toeristen die te dichtbij willen komen. En met mannen die nog altijd geloven dat ergens onder de wortels, modder en basaltstenen de Schat van Lima ligt te wachten.
Een eiland dat niets cadeau geeft
Enrico staat op de aanlegsteiger met een regenjas die ooit geel moet zijn geweest. Alles op Cocoseiland wordt uiteindelijk groen, bruin of roestkleurig. De lucht ruikt naar zout, nat blad en diesel van de patrouilleboot. Achter hem stijgt het bos direct omhoog, alsof het eiland geen zin had in stranden en liever meteen de hoogte in ging. Watervallen komen uit de vegetatie vallen zonder waarschuwing. Fregatvogels hangen boven de baai. In het water draait een donkere schaduw weg die volgens Enrico waarschijnlijk een haai is, maar hij zegt het alsof hij een bus ziet vertrekken.
“Wie hier naar goud zoekt,” zegt hij, “heeft eerst heel veel natuur over het hoofd gezien.”
Cocoseiland is een nationaal park en UNESCO-werelderfgoed. Het is beroemd onder duikers door scholen hamerhaaien, roggen, tonijnen en ander groot zeeleven. Maar op oude kaarten en in avonturenboeken heeft het eiland een andere naam: Treasure Island. Volgens de legende werd de Schat van Lima in 1820 uit Peru weggehaald, aan boord gebracht van het schip Mary Dear, gestolen door kapitein William Thompson en ergens op Cocoseiland begraven. Gouden beelden, juwelen, kerkzilver, kandelaren. Genoeg rijkdom om generaties krankzinnig te maken.
En dat deed het ook.
Het goud dat gaten achterliet
We lopen een modderig pad op dat glad is van regen en afgevallen blad. Enrico beweegt snel, maar niet haastig. Hij kent de wortels, de losse stenen, de plekken waar je laars net iets te diep wegzakt. Af en toe wijst hij naar iets dat ik anders zou missen: een litteken in de grond, een oude sleuf, een onnatuurlijke kuil waar planten nog steeds anders groeien. “Niet allemaal van nu,” zegt hij. “Sommige zijn oud. Sommige niet oud genoeg.”
Eeuwenlang kwamen schatzoekers naar Cocoseiland met kaarten, geruchten, magnetometers, dynamiet, schop, geloof. De Duitse avonturier August Gissler woonde er aan het einde van de negentiende en begin twintigste eeuw jarenlang om de schat te zoeken. Hij vond, volgens de verhalen, nauwelijks iets. Dat weerhield anderen niet. Een goede schat hoeft niet gevonden te worden om mensen te laten graven. Sterker nog: hoe langer hij niet wordt gevonden, hoe beter het verhaal wordt.
Enrico heeft weinig geduld met romantiek zodra die een schop vasthoudt. Hij laat me een helling zien waar de bodem is opengetrokken. Niet diep, niet spectaculair, maar genoeg om water anders te laten lopen. Op een eiland waar regen bijna dagelijks valt en wortels de grond bij elkaar houden, wordt een gat snel meer dan een gat. Modder schuift. Planten verdwijnen. Een pad ontstaat. Daarna nog een. “Schatzoekers denken dat ze alleen iets uit de grond halen,” zegt Enrico. “Maar meestal halen ze de grond zelf weg.”
Mannen met kaarten
De meeste illegale bezoekers komen niet meer als piraten, maar als nette mannen met te dure waterdichte tassen. Soms beweren ze verdwaalde zeilers te zijn. Soms onderzoekers. Soms maken ze de fout om hun metaaldetector niet goed genoeg te verstoppen. Enrico heeft ze in allerlei versies gezien: zwijgzaam, charmant, verontwaardigd, zogenaamd onschuldig. Eén man had een gelamineerde kaart bij zich waarop met rode pen een kruis stond bij een kloof. “Alsof het eiland zich iets aantrekt van rode pen,” zegt Enrico.
Het lastige is dat Cocoseiland groot genoeg is om mensen kwijt te raken en klein genoeg om overal schade te voelen. Bewakers kunnen niet achter elke boom staan. De zee is de eerste grens, maar ook de zwakste. Wie genoeg geld heeft voor een boot en genoeg koppigheid voor een legende, kan proberen ’s nachts aan land te komen. Enrico en zijn collega’s patrouilleren daarom niet alleen voor natuur, maar ook tegen verhalen. Tegen de hardnekkige gedachte dat de echte waarde van dit eiland onder de grond ligt.
Soms vindt hij alleen sporen. Afdrukken in modder. Een stuk plastic. Een geknakte tak op een plek waar niemand hoort te lopen. Soms hoort hij later via radioverkeer dat een boot te dicht bij een verboden zone lag. Soms is er niets, alleen dat gevoel dat iemand ergens tussen de bomen dezelfde oude fout aan het maken is.
De schat die wel bestaat
’s Middags varen we uit met de patrouilleboot. Niet voor goudzoekers, maar voor vissersboten die te dicht bij de beschermde wateren komen. Dat is de andere strijd van Cocoseiland, en volgens Enrico de urgentere. Illegale visserij bedreigt de rijkdom onder water: haaien, tonijnen, roggen, alles wat beweegt tussen de diepe oceaan en het eiland. De ironie is bijna te netjes. Terwijl sommige mannen op land zoeken naar een schat die misschien nooit is begraven, wordt rond het eiland een echte schat uit het water gehaald.
Enrico staat voorin de boot en kijkt door een verrekijker. De zee is donkerblauw, met witte strepen waar de wind erin snijdt. Hij vertelt dat de bescherming van Cocoseiland niet bestaat uit één groot heldhaftig moment, maar uit herhaling: controleren, registreren, rapporteren, terugvaren, opnieuw kijken. Het is nat werk. Vermoeiend werk. Werk waarbij je vaker te laat komt dan je zou willen en toch moet doorgaan omdat afwezigheid meteen wordt opgemerkt door mensen die regels als uitnodiging zien.
Aan de horizon ligt het eiland achter ons als een groene muur. Het ziet er onneembaar uit. Dat is misleidend. Kwetsbare plekken zien er vaak sterk uit omdat je hun breekbaarheid niet vanaf afstand kunt zien.
Geen X op de kaart
In de rangerpost hangt een kaart van het eiland. Geen versleten piratenkaart, maar een praktische: baaien, paden, zones, risicogebieden, patrouilleroutes. Enrico zet koffie die naar rook smaakt en wijst naar plekken waar mensen in het verleden hebben gezocht. De namen zijn bijna mooi: Wafer Bay, Chatham Bay, watervallen, ravijnen, oude landingsplekken. Elk mooi woord kan hier een probleem worden wanneer iemand het in een forum leest en besluit dat hij slimmer is dan tweehonderd jaar mislukking.
Ik vraag Enrico of hij denkt dat de Schat van Lima echt bestaat. Hij wacht lang met antwoorden. Buiten tikt regen op het dak. Op Cocoseiland is stilte zelden stil; er is altijd water, insecten, zee, wind, iets dat valt of kruipt.
“Misschien,” zegt hij uiteindelijk. “Maar dat maakt niet uit.”
Dat is geen ontwijking. Het is precies zijn punt. Als de schat niet bestaat, is er al veel schade aangericht voor niets. Als hij wel bestaat, is de schade nog gevaarlijker, omdat elk gerucht nieuwe mannen met nieuwe kaarten kan aantrekken. Een nationale parkbodem is geen puzzelblad. Een werelderfgoedsite is geen privé-avontuur voor iemand die te veel documentaires heeft gekeken.
Wat je niet mag meenemen
De volgende ochtend regent het zo hard dat het eiland lijkt te dampen. Enrico neemt me mee naar een uitkijkpunt waar je de jungle beneden ziet sluiten als een vuist. Hij vertelt over bezoekers die teleurgesteld zijn wanneer ze horen dat ze niet zomaar mogen rondlopen. Over mensen die het woord “verboden” persoonlijk opvatten. Over schatzoekers die zichzelf zien als ontdekkers, terwijl ze in werkelijkheid vooral erfgenamen zijn van een oud soort hebzucht.
Toch klinkt hij niet bitter. Moe, soms. Scherp. Maar niet bitter. Hij heeft te veel gezien om het eiland alleen als slachtoffer te beschouwen. Cocoseiland is koppig. Geef een open wond genoeg regen en tijd, en het bos probeert hem te bedekken. Niet te genezen, niet helemaal, maar te verbergen. Dat is misschien ook waarom de schatlegende hier zo lang overleeft: het eiland wist sporen uit, en waar sporen verdwijnen, groeit fantasie.
Voordat we teruglopen, blijft Enrico staan bij een boom waarvan de wortels als kabels over de grond lopen. “Mensen denken dat bewaken betekent dat je iemand tegenhoudt,” zegt hij. “Maar meestal betekent het dat je blijft terugkomen. Ook als niemand je ziet.”
Beneden wacht de boot. De zee is alweer van kleur veranderd. Cocoseiland verdwijnt niet wanneer je wegvaart; het blijft achter je liggen als een vraag die je niet goed hebt beantwoord. Misschien ligt er ergens goud. Misschien ook niet. Maar wie met Enrico Salamanca over het eiland loopt, begrijpt dat de grootste schat hier allang gevonden is. Ze zwemt rond in scholen onder de boot, groeit als mos over oude kuilen, valt als regen uit de bomen en vraagt maar één ding: laat haar met rust.
