Vlak voor de oorlog in Oekraïne veranderde Tsjernobyl opnieuw van betekenis. Jarenlang was de verboden zone rond de kerncentrale vooral een plek van roest, stilte en langzaam terugkerende natuur. Daarna kwamen de militairen, de checkpoints en de angst dat zelfs een ramp uit 1986 niet veilig was voor een nieuwe ramp. Fotograaf Maksim Volkov neemt ons mee naar Tsjernobyl en Prypjat in de laatste maanden voordat de wereld daar weer op scherp kwam te staan.

De stad die bleef wachten

Maksim Volkov zet zijn statief neer in de lobby van een leeg hotel in Prypjat en wacht tot het stof ophoudt met bewegen. Dat is het eerste wat je leert van hem: in verlaten gebouwen moet je niet meteen fotograferen. Je moet wachten tot je eigen aanwezigheid uit de ruimte verdwijnt. Buiten staan berken tegen de gevels gedrukt. Binnen hangt behang als oude huid van de muur. Op de vloer liggen glasscherven, verwaaide folders en een kinderschoen die waarschijnlijk al honderd keer is gefotografeerd, maar toch blijft werken als een vuistslag.

Prypjat werd in 1970 gesticht als modelstad voor werknemers van de kerncentrale van Tsjernobyl. Na de explosie van reactor 4 in april 1986 moesten tienduizenden inwoners vertrekken. Ze kregen te horen dat het tijdelijk was. Dat woord is volgens Maksim het wreedste detail van de hele plek. “Tijdelijk is hier blijven rotten,” zegt hij. In zijn foto’s zoekt hij daarom niet naar sensatie, maar naar uitgestelde terugkeer: een klaslokaal waar niemand meer binnenkomt, een appartement met een kapotte stoel bij het raam, een zwembad waarin bladeren liggen alsof de herfst er al decennia oefent.

Fotograferen zonder buit te maken

Maksim is geen ramptoerist, al weet hij dat de grens dun is. Hij groeide op in Oekraïne, in een familie waarin Tsjernobyl nooit alleen geschiedenis was. Zijn vader werkte ooit als elektricien in Kyiv en kende mannen die na de ramp werden opgeroepen voor schoonmaakwerk. “In West-Europa werd Tsjernobyl vaak een symbool,” zegt Maksim. “Voor ons was het ook gewoon een wond in de familie.” Misschien fotografeert hij daarom langzaam. Geen dramatische groothoek bij elk kapot raam, geen poppenhoofd op de voorgrond, geen goedkope horror van verlatenheid.

In de maanden voor de Russische invasie reist hij meerdere keren naar de uitsluitingszone. Officieel, met toestemming, dosimeter aan zijn riem en gidsen die precies weten waar je wel en niet loopt. Hij maakt foto’s van plekken die door internet al bijna clichés zijn geworden: het reuzenrad, de sporthal, de controlekamer, de weg naar de centrale. Maar steeds zoekt hij naar iets dat minder schreeuwt. Een gordijn dat nog beweegt door tocht. Een boom die door een balkon groeit. Een muurschildering van lachende kinderen, half opgegeten door vocht. Hij wil niet bewijzen dat de mens verdwenen is, maar laten zien wat er blijft wanneer mensen gedwongen worden hun toekomst achter te laten.

Vlak voor de stilte brak

Eind 2021 voelt de zone anders, zegt Maksim. Niet zichtbaar in één foto, maar merkbaar in gesprekken. Er zijn meer controles, meer vragen, meer zenuwen bij mensen die gewend zijn aan vreemde bezoekers. De grens met Belarus ligt niet ver weg. Op kaarten is dat een lijn; in de winterlucht rond Tsjernobyl voelt het als een kier waar iets doorheen kan komen. Maksim fotografeert een lege weg met sneeuw in de berm. Pas later, na 24 februari 2022, zal hij die opname anders bekijken. Niet meer als een weg naar een verlaten stad, maar als een mogelijke aanvoerroute.

Toen Russische troepen aan het begin van de invasie via het noorden Oekraïne binnentrokken, werd de zone rond Tsjernobyl opnieuw wereldnieuws. De kerncentrale kwam tijdelijk onder Russische controle te staan, personeel zat dagenlang vast onder grote druk en internationale nucleaire experts waarschuwden voor de risico’s van oorlog rond een plek die nog altijd zorgvuldig beheer nodig heeft. Voor Maksim voelde het alsof iemand een tweede laag geweld over zijn foto’s had gelegd. “Tsjernobyl was al een waarschuwing,” zegt hij. “Maar blijkbaar luisteren mensen zelfs niet naar ruïnes.”

Prypjat in winterlicht

We lopen door een brede laan waar vroeger gezinnen naar winkels, scholen en sportclubs gingen. Maksim wijst niet meteen naar het reuzenrad, hoewel dat boven de bomen uitsteekt als een bekend logo van verlatenheid. Hij wijst naar de stoep. Daar groeien wortels onder het beton, waardoor de platen scheef zijn gaan staan. “Dat is de betere foto,” zegt hij. “Niet het grote symbool, maar de kleine kracht die niemand heeft tegengehouden.” Zijn camera hangt laag tegen zijn jas. Hij fotografeert pas wanneer het licht afvlakt en de stad minder op een decor lijkt.

In Prypjat is natuur geen troostplaatje. De terugkeer van wolven, elanden, vogels en bomen betekent niet dat alles genezen is. Het betekent dat mensen weg zijn. De radioactieve erfenis blijft ongelijk verdeeld in bodem, stof, mos en hotspots waar je niet moet blijven staan. Maksim ergert zich aan verhalen die Tsjernobyl voorstellen als bewijs dat de natuur zonder mensen altijd beter af is. “Dat klinkt mooi,” zegt hij, “tot je begrijpt waarom de mensen hier weg moesten.”

De foto die hij niet maakte

In een appartementenblok beklimmen we een trap waar de leuning koud en plakkerig aanvoelt. Op de vijfde verdieping staat een deur open. Binnen ligt een kamer vol grijze rommel: boeken, kapotte planken, een matras, glas. Op de muur hangt nog een kalenderblad. Maksim loopt naar het raam en kijkt uit over de stad. Ik verwacht dat hij zijn camera pakt, maar hij doet niets. Soms, zegt hij, is een beeld te netjes. Te makkelijk. Een verlaten kamer met uitzicht op een verlaten stad vertelt precies wat iedereen al denkt te weten.

Dat is zijn strengste regel: niet elke plek die pijn doet, verdient een foto. Een fotograaf in Tsjernobyl moet kiezen tussen vastleggen en gebruiken. Tussen getuigen en verzamelen. Maksim heeft vaak bezoekers gezien die objecten verschuiven voor een sterker beeld: poppen op stoelen, gasmaskers op schoolbanken, boeken open op een vloer. “Dan fotografeer je niet Tsjernobyl,” zegt hij. “Dan fotografeer je je eigen effectbejag.”

Na de invasie

Na de Russische terugtrekking kreeg Maksim berichten van bekenden in Oekraïne. Over schade, over gestolen of vernielde apparatuur, over angst bij personeel, over de absurditeit van soldaten in een besmet landschap. Hij keek opnieuw naar zijn foto’s van vlak voor de oorlog en zag ineens geen verlaten zone meer, maar een grensgebied. De leegte had een andere spanning gekregen. Wat eerst stil leek, bleek kwetsbaar. Wat eerst verleden leek, werd opnieuw onderdeel van het heden.

Hij publiceerde een deel van de serie pas later. Niet als nostalgie naar de tijd vóór de invasie, maar als bewijs dat plekken meerdere rampen kunnen dragen. Tsjernobyl is niet alleen 1986. Het is ook de evacuatie, de schoonmakers, de toeristen, de wetenschappers, de teruggekeerde natuur, de bewakers, de oorlog. Maksim noemt zijn serie daarom niet “verlaten stad”, maar “Tweede stilte”. De eerste stilte kwam na de evacuatie. De tweede na het besef dat zelfs een verboden zone niet buiten de geschiedenis ligt.

Wat een ruïne terugzegt

Aan het einde van de dag staan we bij een raam zonder glas. De lucht boven Prypjat is blauwgrijs. In de verte verdwijnt de centrale achter bomen en beton. Maksim maakt één laatste foto, niet van het reuzenrad en niet van de reactor, maar van een strook licht op de vloer van een leeg appartement. Het is een klein beeld, bijna niets. Juist daarom blijft het hangen.

Een ruïne praat niet, zegt hij terwijl hij zijn camera inpakt. Ze herhaalt alleen de vraag die mensen liever overslaan: wat dachten jullie dat niet kapot kon? In Tsjernobyl klinkt die vraag harder dan op andere plekken. Niet omdat de stad dood is, maar omdat ze maar blijft bewijzen dat gevolgen langer leven dan beslissingen. En vlak voor de oorlog, in dat winterlicht boven Prypjat, fotografeerde Maksim Volkov precies dat: een verleden dat nog niet klaar was met ons.